We de zeskantige bordjes van de ANWB Zuiderzeeroute, en die zijn zo goed geplaatst dat je eigenlijk geen fietskaart nodig hebt. Sinds de uitvinding van de fietsdrager zijn delen van deze tocht prima in een dag(deel) te doen. De volledige bewegwijzerde ronde is 388 kilometer lang. Steek je af door de polders, dan wordt het een rondje IJsselmeer/Markermeer van 324 kilometer. Wil je de oude Zuiderzeekust volgen maar is 388 kilometer wat teveel van het goede, dan is een aantrekkelijk alternatief om in Enkhuizen de boot te nemen naar Stavoren. Daarmee omzeil je die eentonige Afsluitdijk, maar worden juweeltjes als Medemblik, Makkum en Workum overgeslagen. Aan fietskilometers kom je dan op 281. Met excuses aan de genoemde juweeltjes kozen wij voor die optie. Er bleven genoeg parels over in het sieraad dat Zuiderzeekust heet om optimaal van ons historische erfgoed te genieten.
Naarden en Muiden
Vanuit onze woonplaats in het Gooi fietsen we eerst naar de kust van het Gooimeer tussen Huizen en Naarden om de route op te pakken. De tocht gaat met de klok mee, dus is Naarden als eerste aan de beurt. Een echte vestingstad, zoals er nog maar weinig in hun oude gedaante bewaard zijn gebleven. De Spanjaarden hebben ooit de gehele stad platgebrand, maar ook de lokale twisten tussen de Heren van Holland en het Sticht (Utrecht) hadden telkens Naarden als inzet. Een paar kilometer naar het westen wordt de skyline van het stadje Muiden overheerst door het bekende Muiderslot. Tot ver in de vorige eeuw had het kasteel een functie in de verdediging van de randstad als onderdeel van de Hollandse Waterlinie. Ook het eiland Pampus met zijn ovale fort dat vanuit Muiden goed te zien is, hoorde daartoe. In de tijden van de VOC moesten de zwaarbeladen schepen daar wachten op hoog water om de grachten van Amsterdam te bereiken. Daar was wat op gevonden in de vorm van een ‘scheepskameel’, om het geheel over de ondiepten voor Amsterdam te krijgen. Deze voorloper van het droogdok kostte wel havengelden. Diverse reders omzeilden dat door het kostbare Chinese porselein, dat onderweg als ballast diende, ‘s nachts op slinkse wijze op een kleiner schip met onbekende bestemming over te zetten. Dat scheelde gewicht en (vooral) douanegelden. Op wonderlijke wijze was het schip de volgende ochtend plots een stuk lichter geworden, zodat de arme zeelui na een lange en gevaarlijke reis niet nog een dag ‘voor Pampus moesten liggen’, een uitdrukking die nog steeds gebruikt wordt.
Monnickendam, Volendam en Edam
Via de Oranjesluizen en de brug over het Buiten IJ bereiken we Waterland, de streek ten noorden van Amsterdam. Wie hier niet bekend is, zal zich verbazen over het feit dat zo dicht bij de drukke hoofdstad een stiltegebied van deze omvang ligt. Met de contouren van Amsterdam duidelijk zichtbaar is de rust in dorpjes als Durgerdam, Nieuwendam, Ransdorp en Zunderdorp opmerkelijk. Het dorp Zuiderwoude is een pláátje. Het cliché van de boer met de Achterhoekse tongval is meteen verdwenen als je hier iemand aanspreekt om een praatje te maken. Een boer met een onvervalst Amsterdams accent is toch even wennen.
Een echt Zuiderzeestadje is Monnickendam. Net als veel andere handelssteden aan de westkust van de voormalige Zuiderzee ligt de glorietijd in de Gouden eeuw. De huidige welvaart wordt voornamelijk gevoed door de recreatie en de bijbehorende jachtbouw. Een flink deel van de historische Zuiderzeevloot lijkt hier zijn thuisbasis te hebben. Het ruikt er heerlijk naar gepolitoerd hout, teer en touw. Het voormalige eiland Marken is tegenwoordig over een dijk langs de Gouwzee simpel te bereiken. Een bezoekje aan de bekende vuurtoren is een must. Even verderop ligt Volendam, waar naast vis en popmuziek het dagtoerisme de kurk van de welvaart is. Het is er altijd druk. Weinig bekend is dat Volendam is ontstaan in de veertiende eeuw na aanleg van de nieuwe haven van Edam. De oude haven werd met een dam gedicht, en op de ‘volle dam’ ontstond de vissersplaats Volendam, een van de weinige katholieke bolwerken langs de overwegend protestante Zuiderzeekust. We kiezen Edam voor onze eerste overnachting. Aan gezellige eethuisjes geen gebrek.
Hoorn en Enkhuizen
De dijk tussen Edam en Hoorn is een heerlijke fietsroute. Aan de ene kant de zeedijk met grazende schapen, en aan de andere kant de polders met de boerderijen, die af en toe door een pluk bomen beschutting zoeken tegen de hier alom aanwezige wind. Af en toe klimmen we de dijk op om van de vergezichten over het water te genieten. Hoorn is een van de weinige Zuiderzeestadjes met de zee aan de zuidzijde. De rede van Hoorn was dan ook populair bij de Compagnie, getuige de vele pakhuizen, redershuizen en de statige stadspoort. Dat geldt ook voor het wat kleinere Enkhuizen. Een tochtje door de stad is de moeite meer dan waard, met als curiositeit de houten kerktoren. We kopen een kaartje voor de veerboot naar Stavoren, en hebben nog ruim de tijd voor een bezoek aan het Zuiderzeemuseum. Van Holland naar Friesland gaat het dan over schuimende golfjes en de wind pal achter. Na al die historische havenstadjes waan je je op een Oost Indië-vaarder op weg naar verre kusten. Bottelier, schenk maar eens een oorlam in.
Stavoren en Lemmer
Als je de boot afkomt, is het bekende vrouwtje van Stavoren niet te missen. Hoewel, het staat een beetje verstopt na de klapbrug, en blijkt kleiner dan gedacht. De bijbehorende anekdote staat er ingegraveerd. Het is het tragische verhaal van de hebzucht van een vrouw, die haar ring in het water wierp omdat ze niet kreeg wat ze wilde. In de maag van een vis kwam de ring terug, en de vloek van rampspoed kwam daarna uit. Niet echt opbeurend, maar leerzaam. Even verderop zoeken we bij het dorp Bakhuizen ons tweede onderdak.
Aan de Friese kust laten de weergoden ons in de steek, en dat is jammer van het mooie Gaasterland. Tussen Stavoren en Lemmer heeft een van de ijstijden hier een zandduin achtergelaten, dat later bedekt werd door bos. Er zijn hier veel wandel- en fietsmogelijkheden, en een langer verblijf is dan ook geen straf. Wel voor ons, want in de stromende regen naderen we Lemmer. Hier komen we door een veenwingebied, waarvoor vroeger door de veenstekers zogenaamd slikgeld moest worden betaald. Als ze het gebied later weer in cultuur brachten, kregen ze het geld terug. Ideetje voor de minister wellicht.
Blokzijl, Vollenhove en Zwartsluis
In Lemmer hebben ze gelukkig overdekte terrassen aan het water. De tocht gaat verder door de onvolprezen Weerribben. Helaas dit keer Noodweerribben, want het fietspaadje langs en over het water is alleen idyllisch als al het water beneden je is. Dat stukje van de tocht doen we nog een keer over. Natuurlijk maken we wel een fotostop bij het dorpje Nederland. Hoe passend, zo in de regen…
Als we Blokzijl naderen, wordt het wat aangenamer. Net als Vollenhove en Zwartsluis is dit handelsstadje ontstaan toen Hollandse kooplieden in het begin van de zestiende eeuw handel zagen in de turfwinning van de veengebieden bij de Weerribben en de Wieden. Tussen Vollenhoven en Zwartsluis fietsen we langs fraaie boeren havezaten, en natuurlijk passeren we in Sint Jansklooster de met een schaatser beschilderde schuur van Elfstedentochtwinnaar Evert van Benthem. Voor Evert was zijn melkquotum belangrijker dan de schitterende omgeving – hij zocht zijn heil in Canada. Wij zoeken een camping om droog te worden.
Genemuiden, Kampen en Elburg
Bij de pont van Genemuiden passeren we een oude viermaster, die via het Zwarte Meer het IJsselmeer opvaart. We fietsen nu over het Kampereiland, een laag gelegen gebied dat regelmatig door de Zuiderzee werd overstroomd. Overal zie je huizen op terpjes. Als we de IJssel oversteken belanden we in Kampen, in de dertiende en veertiende eeuw veruit de belangrijkste handelsstad van het land, en kroonjuweel van het verbond der Hanzesteden. De boekenmarkt is er in volle gang. De steden langs de oostelijke Zuiderzeekust werden na de vijftiende eeuw overvleugeld door de steden aan de westkust, met Amsterdam als handelscentrum voorop.
De tocht voert verder langs de randmeren, waar de nieuwe polders het zicht op de zee ontnemen. We hebben inmiddels de Veluwezoom bereikt, en nemen een terrasje bij de poort van het stadje Elburg, dat al in 1233 stadsrechten verkreeg. Na Elburg is Harderwijk onze volgende bestemming en tevens de laatste overnachtingplaats.
Harderwijk en Spakenburg
Dat Harderwijk ooit een belangrijke universiteit huisvestte weten we eigenlijk alleen door het kinderprogramma Sesamstraat. Maar ook als garnizoenstad was de stad van belang. Dat werd volgens oude geschriften benadrukt door het bezit van liefst drie bordelen. Dan tel je pas mee. Vermeldenswaard is nog dat na het eerder genoemde dorp Nederland we nu stuiten op Frankrijk. En dat allemaal rond de Zuiderzee. Het wordt tijd dat we op huis aangaan. Onderweg doen we nog even Spakenburg aan, dat naast de visserij als belangrijkste nijverheid de brood- en banketindustrie heeft. Zondag is echter niet de meest geschikte dag om daar een terrasje te zoeken. Ook geen verrassing is dat het pontje over de Eem die dag stil ligt. Geen nood, we zijn weer in het Gooi en na ruim 300 kilometer zijn onze fietsen weer veilig thuis. We schenken een bittertje om het te vieren.
Dit artikel is eerder
verschenen in Vakantiekriebels en
Vrije Tijd. Alle rechten m.b.t. tot dit artikel behoren toe aan VKVT. Er
mag dan ook niets zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming worden
overgenomen en/of gepubliceerd.
Aanbieding: via deze site kun
je gratis 2 nummers van VKVT uitproberen!
Lees meer...
Tekst en foto’s:
Kees Bregman
|