| Boerin voor een weekend
Onthaasten, dat willen
we. Maar graag dicht bij huis, en snel. Die mogelijkheid biedt
het 'betere boeren bed': een romantisch ingerichte
tent op het boerenerf zonder stroom en gas, mét houtkachel
en knusse bedstee.
De uitvinder van de bedstee verdient een prijs. Wat is het lekker
warm in dat hol. En knus. Maar ik moet er uit, om hout te sprokkelen
voor het vuur in de houtkachel. Dat is nodig om het water aan
de kook te brengen voor de koffie. En dat is weer nodig om wakker
te worden.
Voorzichtig steek ik een been onder de dekens uit. Een ijzig zuchtje
wind waait brutaal tegen mijn been. Kippenvel. Zo lukt het natuurlijk
nooit. Snel dan. Ik schiet in mijn joggingbroek, bergschoenen en wollen
trui en met het haar nog in slaapcoupe loop ik het bos in, achter de
tent. Wat een gedoe, denk ik geïrriteerd. En dat allemaal voor
een kopje koffie!
Met de armen vol aanmaaktakjes kom ik terug. Nu de kachel nog aan zien
te krijgen. Dat lukt moeizaam. Grote ketel met water er op en wachten
tot het kookt. Maar na tien minuten is het water nog niet eens lauw.

Chagrijnig plof ik neer op een stoeltje. Ik staar verveeld naar de
vlammen achter het ruitje van de kachel. Ik hoor een specht, zie een
koe voorbij slenteren, ruik de geur van verbrand hout. En kom zowaar
tot rust. Het is eigenlijk zo simpel. Zet een paar gestresste mensen
een weekeinde lang in een eenvoudige tent en hop, weg is alle spanning.
Je moet er maar opkomen. Die eer valt Luite Moraal, ex-directeur Center
Parcs, ten beurt. Hij wilde een vakantie ontwikkelen voor 'de wat beter
opgeleide randstedeling' die bewust omgaat met de natuur en 'het jammer
vindt dat zijn kinderen soms denken dat melk uit het koelvak van de
Albert Hein komt'.
Wetende dat veel boeren op het platteland het tegenwoordig moeilijk
hebben en wat extra inkomsten kunnen gebruiken, koos Moraal voor een
accommodatie op de boerderij. Geen boerencamping, want de betreffende
doelgroep trekt er nauwelijks op uit met tentje of caravan, maar een
compleet ingerichte tent 'die voldoet aan het romantische beeld dat
mensen hebben van het platteland rond 1920, 1930', aldus Moraal. Geen
gas en stroom dus, maar 's ochtends koffie zetten op de kachel. ,,Je
moet in die tent als het ware even geconfronteerd worden met het leven
van toen. Tenminste, ten dele'', zegt Moraal, die niet op hygiëne
wilde inleveren. Vandaar de goede matrassen, kraan en het toilet.
Allemaal zaken die mij, drukke dertiger uit de Randstad, goed in de
oren klinken. Ik wil wel naar zo'n tent. Niet dat ik de bewuste zaterdag,
als ik ietwat katerig wakker word en naar de boederij moet zien te komen,
nou zoveel zin heb. Liever ga ik door de stad slenteren, borrelen in
een kroeg, uit eten en een filmpje pakken.
Maar nee, ik moet tot rust komen op het platteland. Dus sta ik even
later met mijn vriend allesbehalve te ontspannen in een bomvolle supermarkt.
Met drie zakken voer, drank en rood aangelopen hoofden stappen we in
de auto, op weg naar veehouders Thea (25) en Wouter (26) en hun twee
kinderen in Ermelo.
Die zijn lastig te vinden. Zo lastig zelfs, dat we ineens vastzitten
in een modderig bospad, ver van de bewoonde wereld. Hoezo relaxen? Na
wat zoeken zien we hun monumentale boerderij uit 1859 toch liggen, verscholen
tussen de bomen. Bij Thea en Wouter is het zoals het hoort te zijn op
een boerderij: loeiende koeien, mannen in overall en laarzen, her en
der hoopjes stront, lawaaiige tractoren en bovenal twee gemoedelijke
eigenaren.
Die zeggen 'gewoon zichzelf te zullen blijven' ondanks de Smarts, glimmende
4x4's, Volvo stationwagens en Volkswagen Golfjes die ineens op hun erf
geparkeerd staan. Want de mensen die dit weekeinde één
van de tien boerenbedden hebben geboekt, zijn inderdaad de drukbezette,
goed verdienende tweeverdieners uit het Westen met kinderen waar Moraal
het over had.
Na een korte uitleg over de werking van het boerenwinkeltje en de kinderboerderij
- 'in 't schrift noteren wat je uit de schappen pakt en neem zoveel
eieren uit de ren als je wilt' - brengen we onze spullen per kruiwagen
naar ons onderkomen.
Die oogt van buiten als een legertent, maar is van binnen net een knus,
ouderwets woonkamertje: houtkachel, kandelaars, koelkist, grote kroegtafel,
bedstee, bezem. Als tegen het vallen van de avond kachel, kaarsen en
olielampjes branden en de wijn in de glazen zit, is mijn geluk compleet.
Maar dat moment duurt niet lang: de volgende ochtend is het toch even
wennen een uur te moeten wachten op je kopje koffie of thee. En ook
pannenkoeken bakken op een houtkachel vergt veel geduld. En wat een
inloop heb je in zo'n tent. Maar hoe langer we er zijn, hoe handiger
we worden, en hoe meer ons ritme begint te lijken op dat van onze overgrootouders.
Ik ga zelfs zo op in het boerenbestaan, dat ik het aanbod aanneem de
koeien te helpen melken. Ik hijs me in een blauwe overall en kijk verbaasd
naar wel tien grote koeienbipsen. Wouter leert me snel de fijne kneepjes
van het machinaal melken - 'als je een koe over haar borst aait, wordt
ze rustig' - en ook over uiers kom ik van alles te weten. Dat Wouter
een koe bijvoorbeeld herkent aan de uiers en dat ze zwart, roze, groot
of klein kunnen zijn.
Staand in die melkgoot, tussen de geur van mest en stront, waan ik
me even weer dat meisje van 12 dat ervan droomde boerin te worden. Het
liefst naast de zijde van Minne, een boerenzoon die me helaas nooit
zag staan. Ik zet nog een dopje op een uier en lach eens vriendelijk
naar Wouter.
Bron: Algemeen
Dagblad
|